PENN advocaten

Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties wijst Hoge Raad op schending verdragsbepaling

Volgens internationale verdragen hebben verdachten in strafzaken recht op een beoordeling van hun zaak in twee feitelijke instanties. In Nederland zijn die feitelijke instanties de rechtbank en het gerechtshof. Bij deze instanties kunnen de feiten grondig op juistheid en rechtmatigheid worden onderzocht. Daarna kan in cassatieberoep worden gegaan bij de Hoge Raad. De Hoge Raad doet geen onderzoek naar de feiten, maar controleert of de conclusies van de rechter/raadsheer op het punt van het bewijs begrijpelijk en toereikend zijn gemotiveerd. Bovendien kan de Hoge Raad beoordelen of de feitenrechter toereikend heeft gereageerd op door de verdachte ingenomen uitdrukkelijke standpunten over de bewijsbeslissing.

De Hoge Raad krijgt jaarlijks te maken met een grote hoeveelheid cassatieklachten. De wet biedt de Hoge Raad daarom de mogelijkheid om in zaken waarvan na beoordeling blijkt dat ze duidelijk kansloos zijn, te volstaan met een niet-ontvankelijkheidsverklaring of het cassatieberoep te verwerpen met een verkorte motivering. Deze mogelijkheid is er om de werklast van de Hoge Raad beheersbaar te houden en de Hoge Raad in staat te stellen om zich als cassatierechter te concentreren op zijn kerntaken: het bewaken van de rechtseenheid, het bevorderen van de rechtsontwikkeling en het verlenen van rechtsbescherming.

De Hoge Raad schiet hier echter nog wel eens in door en is dan kortaf in zaken waarin het niet zou moeten zijn. Dit bleek onlangs uit een vingerwijzing van het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties aan de Hoge Raad der Nederlanden. Volgens het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) heeft een veroordeelde burger het recht om zijn veroordeling tot straf door een hogere rechter te laten beoordelen. In een Nederlandse zaak deed zich echter de situatie voor dat iemand in eerste aanleg was vrijgesproken en later bij het hof werd veroordeeld. Het cassatieberoep werd echter met een verkorte motivering verworpen, omdat de middelen niet zouden ‘nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling’. Bij het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties werd vervolgens een klacht ingediend, omdat Nederland (in casu de Hoge Raad) de betreffende verdragsbepaling (artikel 14 lid 5 IVBPR) had geschonden nu de veroordeling niet door een hogere rechter opnieuw inhoudelijk was beoordeeld.

Het Mensenrechtencomité nam eind vorig jaar dus nderdaad een schending aan van het IVBPR-verdrag. Een toetsing beperkt tot ‘formal or legal aspects of the case’ zonder dat sprake is van enige ‘review of the fact and evidence’ kan volgens het Comité namelijk niet worden aangemerkt als een ‘review’ in de zin van art. 14, vijfde lid IVBPR. In gevallen waarin geen schuldigverklaring en veroordeling in eerste aanleg plaatsvinden en in hoger beroep wel, verlangt het Comité van de Hoge Raad als beroepsrechter een gemotiveerde reactie op de bewijsklachten. Hoewel het advies van het Mensenrechtencomité niet bindend is en de Hoge Raad de zaak waarin de klacht werd ingediend niet gaat heropenen, heeft de Hoge Raad op 24 januari jl. wel medegedeeld dat zaken waarin in hoger beroep een veroordeling is uitgesproken voor een feit waarvoor de verdachte in eerste aanleg was vrijgesproken en in cassatie over de bewijsvoering van de feit wordt geklaagd, vaker zullen worden afgedaan met een meer op de concrete zaak toegesneden motivering in plaats van de standaard verkorte motivering.

Opnieuw wordt het Nederlandse rechtssysteem gewezen op verdragsschendingen als gevolg van ondermaatse motivering van beslissingen. In 2021 had het Europees Hof van de Rechten van de Mens al geoordeeld dat Nederlandse rechters in strafzaken beter moeten motiveren waarom voorlopige hechtenis nodig is en niet kunnen volstaan met standaardteksten. Motivering is belangrijk, omdat rechters daardoor worden gedwongen om na te denken over hun beslissingen. Als een rechter een motivering niet uit zijn pen krijgt, is er misschien ook geen goede reden. Die uitspraak heeft bijgedragen aan een toename van het aantal schorsingen van de voorlopige hechtenis.

De aankondiging van de Hoge Raad om zaken minder vaak af te wijzen met een standaardriedel is in ieder geval een goed voornemen voor 2023.

Mr. D.M. Penn

Deel online